De Glas-in-lood ramen.
De voorstelling.
Wie tijdens een kerkdienst zijn blik eens laat afdwalen naar de glas in lood ramen bemerkt dat de vier evangelisten als vanuit een flonkerend gouden hemel op ons toezien:
| Mattheus: | als een mens met evangelie dat ons wordt voorgehouden, |
| Johannes: | als een arend of adelaar, |
| Lukas | als een rund of stier, |
| Markus | als een leeuw. |
Deze voorstelling is in eerste instantie gebaseerd op de tekst in de Openbaring van Johannes, hoofdstuk 4, vers 6-4, waarin sprake is van een visioen van het wereldeinde en waarbij de troon van God, omgeven door vier gevleugelde wezens, wordt geschetst:
| 6: | En vóór de troon was als een glazen zee, kristal gelijk, en midden in de troon en rondom de troon vier wezens, bezaaid met ogen, voor en achter |
| 7: | En het eerste wezen was een leeuw gelijk, en het tweede wezen was een stier gelijk, en het derde wezen had het gelaat als van een mens, en het vierde wezen was gelijk een adelaar die vliegt. |
| 8: | En wat betreft de vier wezens, ieder van hen heeft zes vleugels; rondom en van binnen zijn zij met ogen bezet. En zij roepen zonder rusten, dag en nacht; Heilig, heilig, heilig is God de Heere, de heerser van het heelal, die is en die was en die komende is! |
Johannes gebruikt hier een beeld waarin de vier gevleugelde wezens zich rondom Gods troon (de hemel als troon gedacht) bevinden. De glazen zee geeft het firmament weer. Het getal vier is het getal van de uitgestrektheid. De vier wezens vertegenwoordigen de schepping: de mens, de huisdieren (het rund), het gedierte des velds (de leeuw) en het gevogelte des hemels (de adelaar). Deze wezens zijn bezaaid met ogen (oorspronkelijk sterren). Dit beeld van de vier wezens is ontleend aan het boek Ezechiël, hoofdstuk 1. De profeet Ezechiël heeft zich tijdens de ballingschap laten inspireren door een mythische voorstelling in het oude Babylon, waarin vier mythische monsters (sterrenbeelden) het firmament dragen.
Al vanaf de tweede eeuw na Christus is getracht deze zinnebeeldige aanduidingen te betrekken op de evangelisten, die het Woord Gods dragen. Onder invloed van onder meer Augustinus (4e eeuw na Chr.) wordt in de Middeleeuwen het volgende als gangbare symboliek aangehouden:
| Mattheus: | de mens, omdat hij zijn evangelie begint met de menselijke afstamming van Christus. |
| Markus: | de leeuw omdat zijn evangelie begint met de stem die daar roept in de wildernis, waar de leeuw huist. |
| Lukas: | het rund of de stier (offerdier), omdat zijn evangelie begint met het priesterlijk werk van Zacharias, de vader van Johannes de Doper. |
| Johannes: | de adelaar of arend, omdat zijn evangelie begint met de profetische werkzaamheid van Johannes de Doper. De adelaar in zijn vlucht symboliseert de genade van de op de kerk neerdalende Geest. |
Reeds in de vroegchristelijke Byzantijnse kerkelijke kunst treft men deze symboliek aan, maar vooral ook daarna in de Romaanse en Gotische perioden. Wereldberoemd is de vroeggotische beeldengroep in het westelijk koningsportaal van de kathedraal in Chartres, met Christus op de rechterstoel gezeten, omgeven door de vier evangelisten. Ditzelfde tafereel is aangebracht in het portaal van de St. Servaaskerk in Maastricht, eveneens uit de 12e eeuw. De symboliek komt men tegen in mozaïeken, schilderijen, fresco, miniatuurschilderijen in boeken in in de kerkelijke ivoorsnij-, glazeniers- en edelsmeedkunst.
Volgens Prof. Dr. Ir. C.L. Temminck Groll (lid DGU), zijn de gele glas in lood ramen in 1921 of 1922 bij een ingrijpende wijziging van het interieur van de kerk als voorzetramen aan de binnenzijde van de kozijnen aangebracht. Waarschijnlijk bestond de behoefte om met deze lichtdempende beglazing meer sfeer te scheppen. Doch hierover valt te twisten, want naar de mening van Temmink Groll behoort in deze 18-eeuwse kerkzaal invallend licht te zijn, waardoor het mooie snijwerk van de preekstoel en het koperwerk meer tot hun recht zouden kunnen komen.
De afbeeldingen van de vier evangelisten in de kerkramen zijn een bron van rijke overdenking. Zij zien ons aan vanuit een gouden achtergrond, die flonkert door het gebruik van verschillende kleuren geel, wat herinnert aan de Byzantijnse mozaïeken en de oertijd van de christenheid.
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
Fotos gemaakt door Bart Timmerman
De maker van de ramen:
De kerkramen in de Doopsgezinde Kerk in
Utrecht zijn, zoals staat aangegeven in bet raam van Mattheus, vervaardigd in
het atelier van de firma Löhrer in Utrecht.
Dit atelier onder leiding van Frans Edward (Ed)
Löhrer, was in Utrecht gevestigd in de periode 1882 -1933; eerst in de Korte
Minrebroederstraat en na 1902 aan het Stationsplein op no. 17.
Ed Löhrer (geboren in 1853) kwam vanuit het
Rijnland naar Utrecht, waar in 1869 door de latere Mgr. G.W. van Heukelom het
Bernulphus gilde was opgericht. In dit gilde van Utrechtse kunstenaars werd er
voor geijverd de neogotiek allesoverheersend te maken bij de uitvoering van de
katholieke kerkgebouwen.
In 1921 gaat Löhrer een vennootschap aan met
de glazenier Otto Mengelberg afkomstig uit een bekend kunstenaarsgeslacht,
eveneens uit het Duitse Rijnland. Löhrer heeft veel kerkelijke opdrachten in
laatgotische stijl uitgevoerd. Van zijn werk in Art Nouveau stijl ten behoeve
van particulieren is niet veel terug te vinden. Hij heeft gebrandschilderde
ramen gemaakt voor kerken in onder meer ’s Gravenhage, Oudewater, Helmond,
Spanbroek, Keldonk, de Helder, Eindhoven (St. Catharina van P.J.H. Cuypers) en
Amsterdam (St. Nicolaas) van A.C. Bleys).