Het avondmaal
|
Doopsgezinden
hebben hun historische wortels in de zestiende eeuw, de eeuw van de
reformatie. Zij vonden dat theologen als Maarten Luther en Ulrich Zwingli
niet ver genoeg gingen in hun hervormingsstreven. Doopsgezinden stonden
een radicale verandering voor van geloof en leven; centraal in dit streven
stonden de eerste christengemeenten zoals ze in het Nieuwe Testament
worden beschreven. Volgens doopsgezinden is geloven in Jezus niet alleen
een zaak van woorden, maar ook van daden (het doen). Voor
doopsgezinden is geloof iets wat in het leven van alledag gestalte moet
krijgen. Daarom vormen zij gemeenten waarin het geloof geoefend kan
worden. Alleen op grond van een eigen geschreven geloofsbelijdenis kan je
worden gedoopt en lid worden van die gemeente. Zo benadrukken zij de eigen
verantwoordelijkheid en vrijheid van ieder mens in het geloof. In de
gemeente is iedereen gelijk. Daarom zijn doopsgezinden laagkerkelijk
georganiseerd, dat wil zeggen dat zij geen kerkelijke hiërarchie kennen
en behalve doop en avondmaal geen sacramenten aanvaarden. Het
avondmaal zien doopsgezinden vooral als een gedachtenismaal: het lijden en
de dood van Jezus worden in herinnering geroepen. Jezus heeft in woord en
daad Gods liefde voor mensen zichtbaar gemaakt. Volgens doopsgezinden is
Jezus niet lichamelijk in het brood en de wijn aanwezig, maar in de
gemeenschap van mensen, die Jezus willen navolgen. Doopsgezinden
gebruiken het avondmaal 'bij aanzitting'. Dat betekent dat de gemeente in
een avondmaalsdienst aan één grote tafel zit. Dit om de
gelijkwaardigheid van allen te benadrukken. Het brood en de wijn worden
rondgedeeld. De gemeente gaat niet naar de priester bij het altaar om het
sacrament in ontvangst te nemen, maar de predikant gaat rond om brood en
wijn uit te delen. In gezamenlijkheid worden brood en wijn genuttigd. In
de Utrechtse gemeente vieren de doopsgezinden drie keer per jaar het
avondmaal. Op Witte Donderdag, op de laatste zondag van het kerkelijk jaar
en in januari. Het
avondmaal staat open voor een ieder die zich in Christus met de gemeente
verbonden weet. De losse kerkbanken en ‑stoelen worden voor de
dienst waarin avondmaal wordt gevierd, verwijderd. Een lange tafel gedekt
met witte lakens, stemmige bloemstukjes en kaarsen wordt in een T-vorm in
de lengte van de kerkzaal geplaatst. De gemeenteleden zitten in een kring
rondom deze tafel. Het
brood wordt na de instellingswoorden (Mat.26:26) door de voorganger (niet
per se een predikant; doopsgezinden kennen het zogenaamde
"priesterschap aller gelovigen") gebroken en samen met een
kerkenraadslid rondgedeeld. Het brood wordt door iedereen na enkele
evangeliewoorden (Mat.26:27) tegelijkertijd gegeten. Daarna schenkt de
voorganger vanuit de avondmaalskan wijn in de grote avondmaalsbeker. De
voorganger en een lid van de kerkenraad lopen met een blad met kleine
bekertjes rond om ieder een bekertje wijn te geven. Wederom na een
evangeliewoord (1 Kor. 11:25, aangevuld met Luc. 22:20) wordt de wijn
tegelijkertijd door de aanwezigen gedronken. De vorm van het brood is afhankelijk van plaatselijke tradities. Ook in de Utrechtse doopsgezinde gemeente worden voor het avondmaal verschillende broodsoorten gebruikt. Vrijwel overal wordt in Nederlandse doopsgezinde gemeenten wijn gebruikt, zo ook in Utrecht. Vanaf het eind van de negentiende eeuw worden om hygiënische redenen voor de wijn kleine bekertjes gebruikt.
|